Voordat de Industriële Revolutie het gebruik van ijsstaven mogelijk maakte, was de mens genoodzaakt 's winters natuurijs te verzamelen om dit op speciale plaatsen te bewaren. Het ijs diende vervolgens in de zomer als koelingsmiddel voor vlees, vis, wijn en zuIvel. Een ijskast avant-la-lettre als het ware!
Niet alleen deze toepassing deed de bouw van ijskelders in een stroomversnelling terechtkomen. In de 17de eeuw werden sorbets en roomijs razend populair in Europa. Om de gasten op een zomerdag te verfrissen met een ijsje, moest de rijkere bevolking dus wel over een koelingruimte met vers ijs beschikken. Zo verscheen er haast op ieder landgoed een ijskelder.
In de 21ste eeuw zijn deze ijskelders uiteraard niet meer in gebruik. Voor vleermuizen daarentegen zijn ze van groot belang als winterverblijf. Of hoe de vleermuizenbescherming in Vlaanderen startte met de opkomst van het ijsje...

Doorsnede van een ijskelder
De oorsprong van deze speciale bewaarplaatsen voor ijs en voedsel moeten we wellicht, zoals zovele zaken, in het oosten gaan zoeken. De oudste totnogtoe gekende ijskelders werden opgegraven in het Chinese Turkestan en dateren uit de 3de eeuw n.Chr.
Oude Chinese geschriften, van zo' n 3000 jaar geleden, spreken echter reeds over speciale ijsbewaarplaatsen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat aan het vullen en ledigen van ijskelders in het oude China bepaalde religieuze ceremonies waren verbonden. China is trouwens het enige land ter wereld waar tot op de dag van vandaag ijskelders in gebruik zijn.
Ook in andere oosterse landen zoals Japan, Iran, Indië en het oude Mesopotamië vinden we al vroeg in de geschiedenis ijskelders terug. Wie op het snuggere idee kwam om speciale ijsbewaarplaatsen te bouwen is niet exact geweten, maar hij of zij heeft allicht in het oosten gewoond.
Veel later, in de 15de - 16de eeuw, duiken her en der in Europa ijskelders op. Vast staat dat de opkomst van koude versnaperingen - en in het bijzonder sorbets en roomijs - de bouw van ijskelders in Europa in een stroomversnelling gebracht heeft. Nog steeds beweren de Venetianen dat zij de uitvinder zijn van het ijsje, maar of dat waar is...
Pas in het midden van de 17de eeuw deden ijskelders hun intrede in onze streken. Helaas zijn ze zelden of nooit gedateerd, zodat we de ouderdom van de resterende ijskelders moeilifk kunnen bepalen.
Er bestond geen vast bouwplan voor ijskelders. Uiteraard moest iedere kelder voldoen aan de juiste klimatologische omstandigheden, namelijk het zo lang mogelijk vasthouden van de koude lucht. Daarom liggen ijskelders steevast onder een aarden heuvel. Zo kon het ijs tot ver in de zomer bewaard worden. Voorts kon de eigenaar zijn ijskelder naar eigen smaak en inzicht bouwen. Daarom vinden we er in allerlei vormen : met één of twee ingangen, eivormig, rechthoekig, klein, groot...
Wie niet zo vermogend was bouwde een ijskelder van hout en stro. Het spreekt voor zich dat er van deze typen geen enkele meer bestaat. Wie het zich kon permitteren (en de buurman wilde overtroeven) bouwde een ijskelder in baksteen. Van deze typen zijn tot op de dag van vandaag tientallen bewaard gebleven.
De tweede wereldoorlog vormde immers een keerpunt. Door de uitvinding van de diepvriezer gemakten ijskelders zonder uitzondering allemaal in onbruik. Verwaarlozing en gebrek aan interesse eisten hun tol en heel wat ijskelders zijn inmiddels sterk vervallen. Vaak werden de 'overtollige' gebouwtjes gewoon opgeruimd. Gelukkig bleven er ook intact, vooral in streken met veel oude landgoederen zoals het noorden van Antwerpen.
Want, hoewel nutteloos geworden voor de mens, bleken ijskelders wel heel aantrekkelijk te zijn voor vleermuizen. De koele omstandigheden komen perfect overeen met de eisen die sommige vleermuizensoorten zoals de watervleermuis, de baardvleermuis en de franjestaart aan hun winterverblijf stellen. Met name rust, een lage, stabiele temperatuur tussen 2 tot 10°C en een luchtvochtigheid van meer dan 80%.
Natuurpunt vzw bleef aan ook niet bij het pakken zitten en reeds in 1974 werd de eerste ijskelder met respect voor het cultuurhistorische verleden van het gebouw ingericht als winterverblijf voor vleermuizen. Zo kon Natuurpunt vzw deze kleine brokjes geschiedenis een nieuwe toekomst geven.
In 1994 werd de eerste ijskelder in onze streek (meer bepaald in Kapellen) ingericht als winterverblijf voor vleermuizen. En de resultaten mogen gezien worden! Iedere winter tellen we in deze ijskelder meer dan 20 overwinterende vleermuizen. De watervleermuis is veruit de belangrijkste wintergast, maar ook de bedreigde franjestaar is een jaarlijkse verschijning.
Momenteel heeft Natuurpunt Antwerpen Noord 7 ijskelders in Kapellen, Brasschaat, Schoten en Merksem onder haar hoede. Bovendien proberen we in overleg met eigenaars één of meerdere gebouwtjes in te richten.
Natuur en cultuur behoeven beiden zorg. Stap voor stap stelt Natuurpunt Antwerpen Noord de toekomst van onze bedreigde vleermuizen en hun even bedreigde cultuurhistorische woonsten veilig.