Bij valavond beleefde ik onlangs een enig moment. Rustig wandel ik op het padje langs een open ruimte, begroeid met pijpenstrootje, heide en hier en daar een opkomend dicht berkenbosje. Genietend, kijk ik om me heen. Plots zie ik hem.

Ree
Roerloos staart een prachtige reebok me aan. Oog in oog staan we daar, wie houdt dit het langste vol? … De oren gespitst en met de neusgaten gespreid toont hij me fier z’n niet alledaags drie enden gewei. Wat een ontmoeting! Stil staan, adem inhouden en kijken is de boodschap.
Langzaam, als eerste draait hij waardig z’n kop om en … hop … twee lenige sprongen, weg is hij, verdwenen tussen de struikachtige jonge berkjes. Nog even merk ik een gelige niervormige spiegel onder z’n geheven staartje. Wie wilt hij hiermee waarschuwen?
Reeën kan je wel vaker tegenkomen in de verschillende gebieden ten noorden van Antwerpen. Ze vinden er een geschikt biotoop met afwisselend, al dan niet structuurrijke bossen en open terreinen, zoals grasland, heide, akkers. Dit voorkeursbiotoop biedt de reeën voedsel en mogelijkheid tot dekking. Reeën zijn herkauwende planteneters. Ze zijn de kleinste vertegenwoordigers van de Europese hertenfamilie, met een lengte van 95 à 130 cm en een schouderhoogte van 60 à 75 cm. Ze kunnen 15 à 30 kg zwaar worden.
Alleen bokken dragen een gewei, dat jaarlijks in het najaar wordt afgeworpen. De groei van het nieuwe gewei start kort daarna en is in aanvang omgeven door levend huidweefsel, bast genoemd. Bij uitharding, in het voorjaar sterft de bast af. De reebok gaat dan z’n gewei vegen aan jonge boompjes. Zou het jeuken?
De reegeit draagt geen gewei. In de winter hebben reeën een bruine dikkere vacht, die in het voorjaar dunner en licht rossig kleurt. De spiegel in de anaalstreek, net onder het kleine staartje is bij de bok niervormig en bij de geit enigszins hartvormig. ’s Winters is die spiegel helderwit, ’s zomers geliger.
Eind juli begin augustus vindt de bronsttijd plaats. In de winter, van oktober tot half april leven reeën liefst in kleine groepjes. De basis van zo’n familiegroep wordt gevormd door een dominante reegeit met haar jongen (1 of 2) van voorbije zomer en met eventueel een éénjarige dochter (smalree), waarbij zich een volwassen bok en een jonge bok (jaarling) voegen. Bij lage dichtheid zijn die groepen vrij stabiel. Is de dichtheid hoger, dan wisselen de bokken regelmatig van groep.
Begin april vallen die familiegroepen uiteen. De volwassen bokken gaan strijden voor de beste territoria. De bok veegt dan met z’n gewei langs jonge bomen en ontschorst deze op enkele cm boven de grond, waarna hij een geurstof uit de voorhoofdsklieren uitsmeert op de boompjes. Tegelijkertijd krabt de bok met de voorpoten aan de voet van de boom en stampt met z’n achterpoten. In diezelfde periode emigreren ook de bokkalveren en trekken meestal rond langs de randen van de afgebakende territoria van de volwassen bokken.
Moeder en dochter blijven het langst bij elkaar. Pas als het tijd wordt voor de volgende geboorte verjaagt de geit haar dochter, de smalree, van het jaar voordien. Ze gaat haar eigen centraal gelegen leef- en gebruiksgebied (home range) hardnekkig verdedigen. Daar worden haar nieuwe jongen geboren in mei. Pasgeboren kalfjes worden gedurende kortstondige periodes gezoogd. Het grootste deel van de tijd worden de kalfjes door de moeder in dichte vegetatie alleen achtergelaten. Ze zijn dan heel kwetsbaar, maar toch goed gecamoufleerd door hun gevlekte pels. Na ongeveer 2 weken volgen de kalfjes hun moeder.
Reeën zijn zoals we zegden herkauwers. In de hertenfamilie zijn het de “snoepers”(browsers). Ze kiezen voor licht verteerbare energieke kost: kruiden, grassen, knoppen en jonge loten van bomen, bladeren, eetbare paddenstoelen. Ze lusten ook wel aardappelen en bieten. Echte fijnproevers! ’s Winters is het magere tijd, dan moeten ze zich tevreden stellen met knoppen en twijgen van loof- en naaldbomen, droog gras, klimop, bramen… echte snoeiers zijn het.
In Vlaanderen is de ree de enige wilde grazer die in de natuur overblijft. De reestand is de laatste jaren toegenomen. Al zijn reeën schuwe dieren, ze naderen dicht de bewoonde wereld. Ze aanvaarden min of meer afwijkende biotopen en zoeken regelmatig open terreinen op. Je kan ze dan ook vrij gemakkelijk observeren. Ga maar eens op zoek naar hun sporen. Dat kan makkelijk in de door Natuurpunt beheerde gebieden.
In de buurt van poelen en plassen zie je makkelijk de voetprinten. En vergeet niet naar de onderkant van de boompjes te kijken en je neusgaten wijd open te zetten. Probeer het eens!