Stefan Versweyveld - 11 oktober 2007
Een historisch gebouw begroeid met planten heeft ontegensprekelijk charme. Vooral verweerde muren die rijk zijn aan kalk vormen immers de ideale voedingsbodem voor bijzondere muurplanten zoals gele helmbloem, steenbreekvaren, klein glaskruid en muurbloem. Ook Antwerpen is een prachtige en gevarieerde muurflora rijk, met soms uiterst zeldzame soorten, die in Vlaanderen bijna uitsluitend op gebouwen te vinden zijn. De restauratie van dergelijke oude gebouwen vormt dan ook een evenwichtsoefening tussen het behoud van het bouwkundig erfgoed en de muurbegroeiing. Natuurpunt is echter overtuigd dat een win-win situatie mogelijk is.

Steenbreekvaren.
Foto: Jean-Pierre Bonnel, FFFS
Een bijzondere muurflora ontstaat niet zomaar willekeurig. Een goed ontwikkelde vegetatie van muurplanten heeft doorgaans een ontwikkelingstijd van 50 à 100 jaar nodig. Vertrekkend van een kale muur effenen schimmels, algen, korstmossen en mossen – in wisselwerking met fysische en chemische invloeden – het pad voor planten. Bovendien speelt de gebruikte mortel in de voegen tussen de stenen een grote rol. Vroeger bevatte de mortel veel poreuze kalk. Die lost onder invloed van het licht zure regenwater op, waardoor ideale kansen voor muurplanten ontstaan. De moderne mortelsoorten zijn veel harder – de kalk is bijgevolg minder gemakkelijk beschikbaar – en bovendien minder poreus, zodat de ideale voedingsbodem voor muurplanten verdwijnt. Daarom zal je op moderne gebouwen veel minder snel een rijke muurbegroeiing aantreffen.
Een groot deel van de plantensoorten die we op de Antwerpse muren aantreffen, treffen we elders in Vlaanderen ook enkel op muren aan. Het spreekt voor zich dat deze soorten zich pas in onze streken konden vestigen nadat de mens begonnen was met het oprichten van stenen gebouwen.
De Antwerpse muurflora kunnen we opdelen in twee grote groepen. We vinden er enerzijds soorten die gebonden zijn aan meer stenige milieus en die op ‘eigen’ kracht (via wind, water, vogels, enz.) hun weg hebben gevonden naar de steden. Zwartsteel, klein glaskruid, muurvaren, tongvaren, muurpeper en kandelaartje zijn enkele voorbeelden van soorten die van nature op stenige plaatsen en rotsen groeien. Onze muren vormen voor hen een perfect alternatief.
Vaak hebben deze muurplanten meer zuiderse roots. De schubvaren bijvoorbeeld bereikt in onze regio de noordelijke grens van zijn verspreidingsgebied. Niet verwonderlijk overigens, de gemiddelde temperatuur ligt in stedelijke centra enkele graden hoger dan op het platteland.
Anderzijds bestaat onze muurflora ook uit soorten die gewild of ongewild door de mens ingevoerd zijn uit subtropische streken. Enkele bekende voorbeelden zijn vlinderstruik, wilde vijg, ijzervaren en venushaar: zij werden doelbewust als sierplant en –struik ingevoerd. Dankzij de hogere temperatuur – en de steeds zachtere winters als gevolg van de klimaatsopwarming – kunnen deze subtropische soorten overleven in steden zoals Antwerpen.
Er doen helaas heel wat fabeltjes de ronde over onze muurflora. De planten op en bij muren en andere stenige constructies zijn bijvoorbeeld niet de grote vernielers waarvoor ze vaak gehouden worden. Niettegenstaande ze een weelderige vegetatie kunnen vormen, hebben ze eigenlijk slechts beperkt contact met de dragende muur, enkel ter plaatse van de wortels. De zuurafscheiding van deze planten is zeer beperkt en in vergelijking met de verzuring onder invloed van atmosferische vervuiling (zure regen) zelfs totaal verwaarloosbaar! Het is bovendien een fabeltje dat ze vocht met zich meebrengen.
Zij kunnen zich wel alleen dáár ontwikkelen waar vocht op één of andere manier voor hen beschikbaar is: optrekkend of doorsijpelend vocht, stagnerend vocht, of gewoon hoge luchtvochtigheid. Ze wijzen met andere woorden nattigheid aan en zijn in die zin in hoge mate indicatief voor specifieke gebreken aan het gebouw (bijv. lekkende regenpijpen, kapotte dakgoot …). De wortels van varens en kruidachtige planten, specifiek voor muren, zijn op zich meestal te fijn om schade aan het gebouw te berokkenen. Ze volgen scheuren en spleetjes die al aanwezig waren.
Anders is het uiteraard gesteld met houtige planten. Zij kunnen wel degelijk schade aan het gebouw veroorzaken door de secundaire diktegroei van hun wortels. Als er beslist wordt om houtige soorten toch te bewaren, bijvoorbeeld een vijgenboom op een keermuur, moeten speciale voorzieningen getroffen worden.

Muurvaren op Het Steen in Antwerpen.
Foto: Rafael Delaedt, FFFS
Gebouwen en constructies zijn aan aftakeling onderhevig. Maar zoals bij de mens kent elke leeftijd of liever elk aftakelingsstadium zijn charmes en kwalen… Zo zijn er heel wat mensen die menen dat begroeide muren, los van de rijkdom aan zeldzame soorten, een hoge belevingswaarde bezitten terwijl anderen die muren dan weer niet netjes vinden.
Het komt er dus op aan een degelijk compromis te vinden tussen natuur en cultuur. Waar het in feite om draait is dat men er zorg voor draagt de authenticiteit van het bouwkundig erfgoed te bewaren. Een oud gebouw, zelfs al is het een monument, mag de sporen van zijn ouderdom dragen, zonder er evenwel aan te bezwijken.
Het behoud van een waardevolle plantengroei is dus niet per definitie strijdig met goede monumentenzorg. Een muurbegroeiing kan een belangrijke natuurwaarde bezitten en eigenlijk is natuurbehoud ook een vorm van erfgoedzorg.
Bovendien hebben een aantal van de planten ook vaak een cultuurhistorische relictwaarde, die verband houdt met het monumentaal erfgoed waarop of waarbij ze groeien: eens werden ze door de vroegere eigenaars gekoesterd omwille van hun medicinale waarde, hun praktisch nut of sierwaarde.
Als op bouwkundig erfgoed een waardevolle begroeiing wordt vastgesteld, moet aan dit aspect ook bijzondere aandacht besteed worden. Maar laat ons duidelijk zijn, het kan nooit de bedoeling zijn dat het stenen erfgoed ten gronde gaat om de flora te sparen. Immers, eens het gebouw ten onder is gegaan, zal ook de specifieke flora verdwijnen. Of om het anders te verwoorden: het gaat om één erfgoedzorg.
Natuurpunt is er van overtuigd dat – mits de nodige communicatie en een flinke dosis gezond verstand – een compromis kan gevonden worden tussen onderhoud en herstel enerzijds en bescherming van een waardevolle muurflora anderzijds!