25 juni 2006 - Kris Beerlandt

Steenuil
De steenuil is in Vlaanderen de kleinste vertegenwoordiger van de uilenfamilie. Ongeveer 22 cm hoog en met een eerder plompe gestalte is het uiltje zeer herkenbaar. Maar toch dien je een goeie waarnemer te zijn om hem in de polders, waar hij het meest vertoeft, op te merken.
Heel opvallend bij de steenuil zijn de citroengele ogen met een donkere pupil, samen met de afgeplatte kop. In de Atlas van de Vlaamse broedvogels (uitgave 2000 – 2002) lezen we dat het aantal succesrijke broedgevallen van het steenuiltje zijn toegenomen. Zeker in vergelijking met de tellingen die plaatsvonden in de loop van de jaren 60. Laat ons eens dit uiltje en zijn levenswijze nader bekijken.
Uilen worden ook wel ‘roofvogels van de nacht’ genoemd. Van de andere roofvogels zoals buizerd, havik, torenvalk, spreekt men dan van ‘dagroofvogels’.
Inderdaad, er zijn opmerkelijke overeenkomsten tussen de roofvogel en de uil in hun leefwijze en zeker de manier waarop ze prooien vangen. Alle uilen en de meeste roofvogels zijn ‘predatoren’ dit wil zeggen dat ze zijn gespecialiseerd in het vangen en doden van levende dieren. Ook uiterlijk zien we overeenkomsten: kromme snavel, krachtige tenen met scherp gekromde nagels.
Maar er zijn opmerkelijke verschillen. De spijsvertering, is verschillend: roofvogels hebben een krop om voedsel op te slaan, uilen moeten deze missen, maar compenseren dat gemis met een haast elastische slokdarm, waarmee ze meer voedsel in één keer kunnen verwerken. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat uilen niet verwant zijn aan roofvogels. In hun evolutie zien we, dat ze geen gemeenschappelijke voorouders hebben.
Uilen zijn verwant aan de koekoek en de nachtzwaluw, terwijl roofvogels in de systematiek tussen eenden en hoenderachtigen staan. Uilen vormen een duidelijk afzonderlijke groep (orde) in de vogelsystematiek. In het verorberen van de prooi gaan uilen heel onzorgvuldig te werk, ze schrokken hun prooi met huid en haar op.
De selectie van wat wel en niet verteerbaar is, vindt plaats in de ingewanden. De deeltjes die niet te verteren zijn komen via de bek weer naar buiten als een compacte bal van haren, veren, botjes. Deze ballen noemt men de braakballen. Ontleden van deze braakballetjes vertelt ons heel veel over de samenstelling van hun voedsel.
Maar nu terug naar de steenuil! Het mannetje steenuil is een lichtgewicht van 180 gram, het wijfje weegt ongeveer 200 gram. De vleugelspanwijdte bedraagt 55 cm tot 60 cm. Het verenkleed is van boven bruin en heeft een aantal witte dwarsbanden.
Waar is de woonplaats van deze uil in miniversie? Hij verkiest halfopen landschappen, met houtwallen en een lage kruidlaag. De steenuil nestelt in boomholten(vooral knotwilgen), onder rieten daken, in nissen van muren, in schoorstenen, schuren of verlaten gebouwtjes.
Belangrijk is een open ruimte, grote eerder vochtige weiden, afgewisseld met bomenrijen en struikengordels. De steenuil jaagt meestal vanaf een uitkijkpost. Hij jaagt tijdens een lage vlucht, maar ook soms ’biddend’, zoals een torenvalk dat doet. Soms zoekt hij zijn voedsel speurend al wandelend. Op die manier zoekt hij systematisch de grond af naar insecten, wormen en andere kleine ongewervelde dieren. Onder de muizensoorten is de veldmuis zijn belangrijkste prooi, bij een tekort aan muizen wordt zijn menu aangevuld met kleine vogels. Maar uit braakballen onderzoek blijkt dat de aardworm tot het topvoedsel behoort van de steenuil.
De steenuil heeft een minder nachtelijke levenswijze in vergelijking met de andere uilensoorten. Zo kan het gebeuren dat je hem tijdens een mooie winterdag zonnend waarneemt op een weidepaaltje. Tegen valavond, wanneer het nog licht is start hij zijn zoektocht naar voedsel. De steenuil is een levendige vogel. Zijn bewegingen zijn soms komisch, vooral als hij opgeschrikt wordt. Om ons of andere belagers schrik aan te jagen, kijkt hij die recht in de ogen en maakt dan snelle buigingen. Hij richt zich hoog op en duikt dan weer snel ineen. Op die manier probeert hij zijn vijanden te imponeren. Als we hem dan naderen vliegt hij snel op in een golvende vlucht, op een spechtenmanier, op en neer in lange glijvlucht.
Zijn territoriumroep is niet zo kenmerkend als die van zijn collega, de bosuil. Zijn roep, die al in de winter te horen is, is langgerekt en klinkt oplopend ‘kuuup’. Wanneer de uil opgewonden is laat hij eerder een blaffend geluidje horen.
De steenmarter doet het goed in Vlaanderen. In de woongebieden van de steenmarter, komt er een verhoogde druk op de steenuilnesten. De steenmarter jaagt immers op jonge en zelfs volwassen steenuilen. Steenuilen zijn een standvogels, ze blijven tijdens de winter in hun vast broedgebied, maar vergroten het gebied waar ze jagen.
Een strenge winter met veel sneeuw en aanhoudende nachtvorst is een zeer moeilijke periode voor de steenuil. De grond is dan veel te hard om nog aan zijn dagelijkse portie wormen te geraken. De winterperiode is het moeilijkst voor de jonge vogels met nog weinig ervaring, de eerstejaars dus. Wel is het zo dat uilen perfect op het gehoor kunnen jagen. Daardoor maken ze beter gebruik van het schaarse voedselaanbod tijdens de korte dagen van het winterseizoen. Ook de grootschalige ruilverkavelingen, het intensief gebruik van landbouwgronden, gebruik van pesticide vormen ernstige bedreigingen voor het voortbestaan van de steenuil in onze regio.
Door hun verborgen en vaak nachtelijke levenswijze blijven uilen omgeven van een vleugje romantiek en mysterie. Zelfs Aristoteles, de Griekse filosoof, schreef verhalen waar de uil een belangrijke rol in speelde: de steenuil werd erin vermeld. In het Griekse godendom werd de steenuil zeer positief vermeld.
De Griekse goden hadden de neiging de eigenschappen van de door hen uitverkoren vogels over te nemen. Pallas Athene, de dochter van Zeus, werd steeds met een steenuil afgebeeld. Zo werd de uil symbool voor wijsheid en inzicht. Nog steeds is de steenuil de wapenvogel van de stad Athene. Op de stadsmunten stond aan de ene kant de beeltenis van de godin en aan de andere kant die van de uil. Zijn wetenschappelijke naam verwijst naar de rol die hij speelde als troeteldiertje van de beschermgodin van het oude Athene.
In onze regio vinden we nog een aantal paartjes in de polders van Stabroek en Berendrecht. Het steenuiltje ondervindt moeilijkheden bij het zoeken naar een geschikte nestplaats. Daarom kan het plaatsten van een comfortabele woonst een ‘steenuilenpijp’ in een geschikt leefgebied een grote hulp zijn. Bloemrijke graslanden, vochtige weiden kortom een natuurrijk landschap vormen een uitstekende locatie voor het plaatsen van zo een kunstmatige nestpijp.