Kris Weemaes - 13 juli 2005
Heb je ooit al eens stilgestaan bij de wondere wereld van het lieveheersbeestje? Het is een gezellig allegaartje van lieflijkheid, bonte kleuren en sappige bladluizen. Maar ook gewelddadige veelvraten kom je er tegen. Een kleine introductie…

Het zevenstippelig lieveheersbeestje is de meest
bekende soort (foto: Åke Sandhall)
In België komen er ongeveer 60 soorten lieveheersbeestjes voor. Ze worden onderverdeeld in vijf subfamilies die allen deel uitmaken van de insectenorde van de kevers. Dat is waarschijnlijk de meest soortrijke uit de hele dierenwereld, er zijn niet minder dan 350.000 soorten beschreven!
Net zoals alle kevers hebben ook lieveheersbeestjes bijtende monddelen waarmee ze prooien kunnen verscheuren en planten aanvreten. Een tweede keverkenmerk bij het lieveheersbeestje is het dekschild dat de vliesvleugels waarmee het beestje naar de zon kan vliegen, beschermt.
Typisch voor een lieveheersbeestje is de bolvormige rug, de grootte (of beter het gebrek daaraan) die tussen de 1 en 10 mm bedraagt en natuurlijk de fel gekleurde en vaak glanzende dekschilden.
Het kleurengamma van de verschillende soorten lieveheersbeestjes is zeer breed. Natuurlijk kennen we allemaal de rode met de zwarte stippen en een gele met zwarte stippen hebben we ook al wel eens gezien. Maar er zijn er ook met een oranje of lichtroze grondkleur en sommigen zijn zelfs egaal bruin of zwart.
Ook de tekening is zeer gevarieerd. Het gaat meestal om zwarte of witte stippen of vlekken in verschillende aantallen en vormen. Vaak is het aantal stippen bepalend voor de naam van het lieveheersbeestje. Het zevenstippelig lieveheersbeestje heeft uiteraard zeven stippen.
Kleur en tekening op de dekschilden van het lieveheersbeestje zijn bepalend bij het determineren van de beestjes. Moeilijk is het eigenlijk niet, maar toch moet je goed opletten want sommige soorten hebben verschillende varianten. De kampioen hierin is het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje.
Het voorjaar is voor lieveheersbeestjes, zoals bij zovele dieren, de paarperiode. De eitjes worden afgezet in de nabijheid van een voedselbron voor de larven. Na een dag of vijf sluipen de larven uit. De meeste soorten lieveheersbeestjeslarven voeden zich met schild- of bladluizen, slechts twee zijn planteneter. Na ongeveer twee tot vier weken veranderen de larven in een pop, waar na een week het volwassen insect uitsluipt.
Twee weken houdt het lieveheersbeestje zich bezig met eten, maar dan stopt ze al haar activiteiten en gaat in een in winterslaap. Ze kunnen op dat moment temperaturen verdragen die tot ver onder het vriespunt gaan. Vaak kan je tijdens de winter lieveheersbeestjes vinden onder de schors van bomen of in spleten van raamkozijnen en balken in huis.
Ondanks de populariteit van het beestje, wie heeft er immers niet als kind lieveheersbeestjes verzameld in een potje, was er tot en met het jaar 2000 nog heel wat te onderzoeken over de wondere wereld van het lieveheersbeestje. Toen werd de lieveheersbeestjeswerkgroep opgericht door de Waalse jongeren- en natuurvereniging Jeunes et Natures.
In 2001 sprong de Jeugdbond voor Natuur en Milieu mee op de kar en met de hulp van het Instituut voor Natuurbehoud werd de in het Frans uitgegeven determinatietabel naar het Nederlands vertaald.
De laatste vijf jaar zijn er heel wat waarnemingen verricht in Vlaanderen en doorgestuurd naar de tweetalige lieveheersbeestjeswerkgroep Coccinula, waardoor in 2004 een voorlopige verspreidingsatlas kon worden uitgegeven.
Toen werd opgemerkt dat er nog een aantal ‘zwarte gaten’ te vinden zijn met een heel beperkt aantal waarnemingen, bijvoorbeeld in de stad Antwerpen en omgeving. Daar moest dus iets aan gedaan worden! Op 22 mei 2005 werd al een eerste inventarisatie gehouden op de Oude Landen in Ekeren.
Vier soorten werden waargenomen (zevenstippelig, tweestippelig, veertienstippelig en het veelkleurig Aziatisch) allen zeer algemene of algemene soorten. Toch moet de Oude Landen nog meer soorten herbergen. Een tweede inventarisatie in het najaar zal daar uitsluitsel over geven.
Bij het inventariseren kun je drie methodes toepassen. Gewoon de bodem, bloemen, schors en bladeren afspeuren. Een goed paar ogen en een Petrischaaltje is alles wat je nodig hebt. Ondanks de eenvoud van de methode moet je toch zeer geconcentreerd en vooral lang zoeken.
Een tweede techniek is die van het slepen. Met een vlindernet of een speciaal daarvoor uitgerust sleepnet maak je een aantal snelle bewegingen door lage vegetatie over een aantal meters. Alle insecten in de vegetatie komen in je net terecht.
En een laatste methode is die van het kloppen. Een lichtgekleurde paraplu wordt omgekeerd onder een tak of boompje gehouden. Door een aantal ferme tikken op de takken van de boom te geven, vallen de insecten rechtstreeks in je paraplu.
Lieveheersbeestjes determineren is niet eenvoudig: hou zo’n beestje maar eens goed vast! De veiligste manier om het diertje te bestuderen is een Petrischaaltje te vullen met wat zodat je het in zachtheid kan vastzetten.
Ondanks het feit dat lieveheersbeestjes bestuderen en determineren heel fijn is moet je toch weten dat alle lieveheersbeestjes in Vlaanderen beschermd zijn en dus niet gevangen mogen worden! Enkel voor de duur van het lieveheersbeestjesproject werd er een uitzondering gemaakt.
Profiteer er dus nog van, maar vergeet niet je waarnemingen door te geven!