11 juli 2004
In het kader van het project ‘de Antwerpse haven natuurlijker’, een samenwerkingsovereenkomst tussen Natuurpunt en het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, loopt het plan oeverzwaluw al een aantal jaar. Tijd voor een overzicht.

Oeverzwaluwen
De oeverzwaluw is de kleinste van onze drie zwaluwsoorten en tot voor kort misschien ook wel de minst bekende. Hij heeft een overwegend lichtbruine kleur en een witte buik. Zijn staart is, in tegenstelling tot de twee andere zwaluwsoorten, slechts heel licht gevorkt.
De oeverzwaluw is een insecteneter die zijn voedsel verzamelt boven wateroppervlakken. Begin april komen ze vanuit Oost-Afrika naar hier om hun eieren te leggen en hun jongen groot te brengen.
De oeverzwaluw is een koloniebroeder die zijn nest maakt in steile wanden van rivieroevers. Ze graven hun nestgangen (50 cm tot 1 m lang) met hun poten en hun snavel. De bodem van het nest is bedekt met pluimpjes en plantenstengels. De jongen worden aanvankelijk gevoederd met insecten die door de ouders werden gevangen. Na korte tijd gaan de jongen aan de ingang van de nestholte zitten om voedsel bedelen. De meeste oeverzwaluwen broeden tweemaal in het broedseizoen. De najaarstrek wordt het eerst aangevat door de jonge vogels.
De steile nestwanden waarin de oeverzwaluwen hun nest maken kunnen op allerlei manieren ontstaan. Vroeger vonden deze vogels vaak mogelijkheden in afgekalfde oevers van beken en rivieren. Van nature trad er bij beken en rivieren erosie op waardoor de oever op bepaalde plaatsen afkalfde. Deze oevers vormden ideale nestwanden voor de oeverzwaluw.
De belangrijkste reden van de achteruitgang in onze streken is het verdwijnen van de natuurlijke steile wanden langsheen beek- en rivieroevers. In de oevers van rivieren en beken, die helaas al decennia lang meer en meer werden rechtgetrokken en verstevigd of gekanaliseerd, kon de oeverzwaluw niet meer terecht.
Slechts een zeer klein aantal oeverzwaluwen broedt daardoor nu nog in oevers, meestal langs grote rivieren (zoals de Grensmaas). Ze werden dus verplicht om hun toevlucht te nemen tot meer kunstmatige nestwanden: in ontgrondingen, afgravingen, bouwputten en zanddepots, vaak in gebieden met een industriële bestemming. De meeste kolonies werden niet beschermd en bijgevolg vernietigd of verstoord, vaak uit onwetendheid. Hierdoor is de soort zeer kwetsbaar geworden.
In 2000 broedden er ongeveer 5.000 paar oeverzwaluwen in Vlaanderen, 20% hiervan broedde toen in de Antwerpse haven. In een havengebied broeden oeverzwaluwen in steile zandwanden die ontstaan bij graaf- en bouwwerken.
Sinds de start van het project ‘de Antwerpse haven natuurlijker’ in 2001 broedden in de Antwerpse haven jaarlijks oeverzwaluwen op verschillende plaatsen. In 2001 broedden er zelfs ongeveer 1.000 koppels in de haven. Dit was grotendeels te danken aan de bouw van het Deurganckdok. In de enorme zandwanden die er ontstonden broedden in totaal ongeveer 500 koppels, goed voor de helft van het totaal aantal broedparen.
In 2002 werden op linkeroever geen tellingen gedaan. Op rechteroever broedden toen in totaal 160 paar. Ook 2003 was geen echt topjaar voor de oeverzwaluw, over het hele havengebied broedden slechts 550 paar.
In 2004 werden op rechteroever opnieuw wanden aangelegd. Eén op dezelfde plaats aan de zanddepots langs de A12 en twee bij het bedrijf BASF. Tijdens het weekend van 15 mei werd ons een tweede kolonie aan de zanddepots gemeld. Een kraanman had voor het weekend vergeten een deel van de afgraving af te schuinen.
Deze wand vonden de oeverzwaluwen zelfs zo goed, dat het merendeel van de broedparen aan de andere wand aan de zanddepots naar hier verhuisde. De wand telde toen ongeveer 160 broedparen. Op de terreinen van BASF is op dit moment slechts één van beide aangelegde wanden in gebruik door zo’n 60 broedparen. Het seizoen is natuurlijk nog maar pas begonnen en mogelijk zijn er elders in de haven nog meer broedparen.