Activiteiten

 

Links

 

Natuurgids.net

Zoek naar info over natuur en milieu in de Natuurgids.

U bent hier: naar homepageHome > Actueel > 2004

Vlaanderen is vol, ruimtelijke ordening is nodig!

4 mei 2004

Alt tekst

Bond Beter Leefmilieu, Natuurpunt, diverse regionale milieuverenigingen en afdelingen van Natuurpunt organiseren de “week van de ruimtelijke ordening”.

 

Inhoud

 

Vlaanderen is geen toonbeeld van een goed ruimtelijk beleid. Lintbebouwing, versnippering van natuur- en landbouwgebieden, baanwinkels, verkeerd ingeplante bedrijvenzones,… Het is in Vlaanderen schering en inslag. Die ruimtelijke wanorde zorgt er niet alleen voor dat open ruimte verder wordt versnipperd of natuur- en bosgebieden op de schop gaan, maar kost onze samenleving én onze economie ook handenvol geld. Een beter ruimtelijk beleid is daarom een noodzaak, zeker in het kleine en dichtbevolkte Vlaanderen. Gelukkig komen op verschillende plaatsen stilaan vernieuwende en duurzame projecten van de grond die duidelijk maken dat ruimtelijke ordening ook in Vlaanderen heel wat meer kan betekenen dan wanordelijke lintbebouwing, onleefbare stadswijken of verloederde groenzones.

Om dit alles te illustreren en te wijzen op het belang van een goed ruimtelijk beleid, organiseren Bond Beter Leefmilieu (BBL), Natuurpunt, diverse regionale milieuverenigingen en afdelingen van Natuurpunt tijdens de eerste week van mei de Week van de Ruimtelijke Ordening. Tijdens deze week doen we samen met de pers elke dag een andere provincie aan, waar we telkens een ander thema belichten. Aan de hand van goede en slechte voorbeelden uit alle provincies willen we aantonen waarom een goede ruimtelijke ordening zo belangrijk is voor Vlaanderen. Tijdens deze week van de ruimtelijke ordening lanceren we tevens een voorstellenbundel aan de volgende Vlaamse regering met diverse aanbevelingen voor een betere ruimtelijke ordening. Tot slot hopen we met deze week een discussie op gang te brengen bij de bevolking over nut en noodzaak van een beter ruimtelijk beleid.

Voor veel burgers beperkt ruimtelijke ordening zich tot het afleveren van bouwvergunningen of opleggen van vaak betuttelende bouwvoorschriften. Omdat ruimtelijke plannen - zoals bijvoorbeeld het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen – vaak ingewikkeld en complex zijn, bestaan er bovendien nogal wat misvattingen en vooroordelen over. Zo leeft bij heel wat mensen nog steeds de opvatting dat het bedoeling is van het RSV om iedereen in de stad te laten wonen en niemand meer op den buiten, wat absoluut niet het geval is. Ook over zonevreemde woningen wordt – bewust of onbewust – verkeerde informatie verspreid. Zo denken heel wat mensen dat zonevreemde woningen illegaal zijn en moeten afgebroken worden, wat opnieuw niet het geval is.

Van de ruimtelijke planning wordt verder maar al te vaak een beeld opgehangen van bemoeizucht en regelneverij met een geheel van bureaucratische en verstikkende procedureregels die elk initiatief ondergraven. Ook wanneer ruimtelijke ordening de pers haalt, gebeurt dit zelden op een positieve manier. Problemen als zonevreemde woningen, afbraak van illegale bouwsels en andere handhavingsmaatregelen komen sneller in de media dan de aanleg van bijvoorbeeld een verkeersveilige en leefbare dorpskern. Het imago van de ruimtelijke ordening lijkt spijtig genoeg dat van een plicht, een zwaard van Damocles in handen van een niets ontziende overheid.

Door dat slechte imago wordt het nut en de noodzaak van ruimtelijke ordening meer en meer in vraag gesteld. Nochtans is ruimtelijke ordening zeker in het kleine en dichtbevolkte Vlaanderen voor iedereen van groot belang. Ruimtelijke ordening bepaalt mee de kwaliteit van het leven. Want het plannen van de ruimte gaat over het ontwikkelen en verbeteren van je eigen woon - en leefomgeving. Ruimtelijke ordening gaat over de file naar je werk, je kinderen die veilig naar school kunnen fietsen, lawaai dat je nachtrust kan verstoren, de steeds terugkerende overstromingen, het bos en het park waar je kan gaan wandelen, de soorten vogels die je er nog kunnen verrassen,… Ruimtelijke planning is geen privilege voor een handjevol ambtenaren of politici, maar gaat ons allemaal aan!

Ruimtelijke wanorde aan de orde van de dag

Vlaanderen is een schoolvoorbeeld van ruimtelijke wanorde. Onze schaarse open ruimte wordt aan een hoog tempo ingepalmd en versnipperd, nieuwe baanwinkels ondergraven het belang van stads- en dorpscentra, bestaande bossen worden gekapt voor nieuwe verkavelingen, kantoorcomplexen aan op- en afritten van autostrades geven een extra impuls aan het steeds toenemende autoverkeer, door te bouwen in laaggelegen overstromingsgebieden neemt de wateroverlast elk jaar verder toe, …

Zo wordt elk jaar wordt meer dan 5.000 ha open ruimte ingenomen door nieuwe bebouwing. Dat gebeurt bovendien zeer onoordeelkundig: nieuwe verkavelingen sluiten vaak niet aan bij bestaande stads- of dorpskernen, maar liggen als confetti verspreid in de omgevende landbouwgebieden. Onze beroemde Vlaamse lintbebouwing is ondertussen al meer dan 6.000 kilometer lang: een rij woningen van hier tot Portugal en terug! En dan hebben we het nog niet gehad over de duizenden geïsoleerde woningen en bedrijven op den buiten. Het ongeordend verkavelen van open ruimte ligt ook mee aan de basis van de jaarlijks terugkerende wateroverlast. Nog steeds worden plannen opgemaakt om laag gelegen woonuitbreidingsgebieden die in het verleden overstroomden, toch te verkavelen. Het zal dan ook niet verbazen dat uit het MIRA-T rapport van 2002 blijkt dat zowel de aantasting van de open ruimte als de versnippering van de open ruimte negatief evolueren, ondanks de goede voornemens uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.

Ook met natuur en bos is het in Vlaanderen niet zo goed gesteld. De natuurgebieden die ons nog resten zijn klein en versnipperd. Bijna de helft van de natuurgebieden op het gewestplan zijn kleiner dan 5 hectare, driekwart is kleiner dan 20 ha, slechts 30 gebieden (vooral aan de grenzen van Vlaanderen) zij groter dan 500 ha. Vandaag is maar net 2% van de Vlaamse oppervlakte officieel erkend en in beheer als natuurreservaat. In Nederland, een land met een vergelijkbare bevolkingsdichtheid, is dat 7%. Met 8% beboste oppervlakte is Vlaanderen, na Ierland, het bosarmste gebied van Europa. In Oost- en West-Vlaanderen is respectievelijk zelfs maar 4 en 2% van de totale oppervlakte bebost! Bovendien zijn de Vlaamse bossen klein en sterk versnipperd. De in het RSV en het decreet natuurbehoud beloofde inhaaloperatie om 38.000 ha bijkomende natuurgebieden en 10.000 ha bosgebieden te realiseren, komt veel te traag op gang.

Momenteel is in Vlaanderen een trend aan de gang om bedrijventerreinen en kantoorcomplexen in te planten buiten de steden aan op- en afritten van autostrades. Door die economische activiteiten te concentreren op zuivere autolocaties, wordt de verkeersknoop almaar strakker en nemen de files hand over hand toe. Ook de handel volgt die beweging: steeds meer winkels verlaten stad of dorpskern en vestigen zich als baanwinkel langs de grote invalswegen. Dat zorgt opnieuw voor nog meer autoverkeer, terwijl ook de positie van de middenstand in de stads- en dorpscentra wordt ondergraven, waardoor de leegstand van winkels in de Vlaamse steden en gemeenten veel te groot is.

Toch tonen heel wat gemeenten aan dat het ook anders kan. In diverse Vlaamse gemeenten worden woonprojecten gerealiseerd waarbij wordt ingebreid in plaats van uitgebreid. Door te zoeken naar braakliggende percelen of leegstaande gebouwen in het bestaande stads- of dorpsweefsel, wordt open ruimte gespaard. Deze projecten tonen ook stuk voor stuk aan dat het perfect mogelijk is om op een relatief kleine oppervlakte in stads- of dorpscentra aantrekkelijke en aangename woonprojecten te realiseren. Stilaan beginnen ook meer er meer en meer gemeenten te investeren in een kernversterkend economisch beleid. Zo worden in diverse gemeenten leegstaande gebouwen herbestemd voor nieuwe bedrijven of grootwinkels, dit laatste als alternatief voor baanwinkels. Andere gemeenten maken werk van de ontwikkeling van de stationsomgeving, waardoor kantoren, bedrijven of winkels goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de verdere groei van het autoverkeer in de hand wordt gehouden.

Een slecht ruimtelijk beleid kost onze samenleving handenvol geld

De Vlaamse ruimtelijke wanorde zorgt er niet alleen voor dat open ruimte verder wordt versnipperd of natuur- en bosgebieden op de schop gaan, maar kost onze samenleving ook handenvol geld:

  • Zo lopen de kosten voor allerlei nutsvoorzieningen - zoals waterzuivering, afvalophaling, postbedeling, gas- en elektriciteitsdistributie,… - enorm hoog op. Om bijvoorbeeld ongeveer 70% van de woningen in Vlaanderen aan te sluiten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie moet bijna 30 miljard geïnvesteerd worden. Dat valt zo duur uit omdat de woningen uitgestrooid liggen in het landelijk gebied. Bij een meer aaneengesloten bebouwing kunnen dergelijke nutsvoorzieningen veel efficiënter en goedkoper worden uitgebouwd.
  • Omdat in het verleden te veel woningen of bedrijfsgebouwen werden opgetrokken in overstromingsgevoelige gebieden, zitten hele woonwijken en fabrieken regelmatig met de voeten in het water. Dat brengt opnieuw heel wat kosten en problemen met zich mee.
  • De enorme lintbebouwing in Vlaanderen ligt mee aan de basis van het hoge aantal verkeersongevallen. Door lintbebouwing en baanwinkels ontstaat er op heel wat wegen een gevaarlijke menging van (traag) lokaal en (snel) doorgaand verkeer. Volgens diverse verkeersspecialisten is de slechte ruimtelijke ordening verantwoordelijk voor het - in Europees opzicht - onevenredig hoge aantal verkeersongevallen in Vlaanderen.
  • Tegelijk nemen ook de files in Vlaanderen almaar toe. In 2002 stonden we met z’n allen meer dan 9 miljoen uur in de file. Dat kostte de economie in 2002 114 miljoen euro. Als daarnaast ook rekening wordt gehouden met de zgn. externe kosten (kosten door luchtvervuiling, ongevallen, herstellingen aan het wegdek,…) lopen de kosten in de miljarden. Die toenemende mobiliteit is een gevolg van een slecht locatiebeleid: heel wat kantoren of bedrijventerreinen worden ingeplant op zuivere autolocaties aan op- en afritten van autostrades of langs grote invalswegen. Omdat woon- en werkgebieden te ver van mekaar liggen, neemt het autoverkeer hand over hand toe.
  • Vandaag betalen we de tol voor een jarenlang betonbeleid. Omdat we het dichtste wegennet hebben van heel Europa, moet alleen al voor het onderhoud van de Vlaamse gewestwegen elk jaar miljoenen euro’s worden betaald.
  • Omdat vooral meer begoede gezinnen de stad verlaten, zien de steden hun fiscale inkomsten verminderen en komen stadsbesturen in de problemen met hun begrotingen wordt de stadsherwaardering bemoeilijkt.

Met een duurzaam ruimtelijk beleid kunnen dergelijke kosten voor de samenleving in de hand worden gehouden. Het economisch belang van een goed ruimtelijke beleid is dus groot. Dergelijk probleem kan bovendien niet opgelost worden door het ruimtelijk beleid te versoepelen, want het gaat hier om een kost die exponentieel stijgt.

Evaluatie van 5 jaar paars-groen ruimtelijk beleid

De huidige legislatuur was geen toonbeeld van een duurzaam ruimtelijk beleid. Er ging tijdens deze legislatuur vooral veel aandacht naar een versoepeling van het decreet op de ruimtelijke ordening en van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). Het decreet ruimtelijke ordening werd meermaals afgezwakt met onder meer de invoering van de verjaring van bouwovertredingen, verregaande aanpassingen voor zonevreemde constructies en een onverantwoorde versoepeling van het aansnijden van woonuitbreidingsgebieden. Het RSV van zijn kant werd gedeeltelijk herzien om meer ruimte voor bedrijven te voorzien en de basisdoelstelling voor stedelijke gebieden te verzwakken (een afzwakking van de zgn. 60/40-verdeelsleutel). Tegelijk werden decretale verplichtingen niét uitgevoerd. Zo moesten vanaf 1 januari 2004 planbaten (het omgekeerde van planschade) geïnd worden bij het omzetten van landbouw- of groengebieden naar woon- of bedrijvenzones. Door het uitblijven van de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten is deze regeling echter onuitvoerbaar. Verder moest er wettelijk gezien tegen mei 2002 een Vlaams grondbeleidsplan worden opgemaakt. Dat plan is er nooit gekomen…

Maar er is ook een positieve boodschap: tijdens deze legislatuur werden tientallen ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s, de opvolgers van de gewestplannen) opgemaakt ter uitvoering van het RSV. Er werden onder meer RUP’s gemaakt voor een gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke, voor het aanduiden van bijkomende natuurgebieden in het kader van het Vlaams Ecologisch Netwerk,… Ondertussen beschikken alle provincies over een provinciaal structuurplan en werken ook de meeste gemeenten volop aan een visie op ruimte in hun gemeentelijk structuurplan. Vele steden hebben de afgelopen jaren gedurfde projecten gelanceerd die het stedelijk verval terugdringen en steden terug op de kaart zetten als woon- en werkmilieu. Voor de havens wordt dan weer gewerkt aan zgn. strategische plannen, waarbij getracht wordt economische ontwikkeling te combineren met zuinig ruimtegebruik, natuurbehoud en leefbaarheid.

Hoewel dus één en ander in de juiste richting evolueert en op verschillende plaatsen interessante projecten worden opgezet, blijven een aantal basisproblemen van ruimtelijke ordening bestaan. De aantasting en versnippering van open ruimte door verkavelingen of de aanleg van autowegen gaat nog steeds door, de inplanting van baanwinkels of bedrijven op autolocaties doet het autoverkeer nog sterker stijgen,… Een duurzaam ruimtelijk beleid vereist daarom volgehouden inspanningen op langere termijn, ook al is dat politiek op korte termijn – tot aan de volgende verkiezingen - niet populair. Bovendien moeten de volgende jaren nog enorme ruimtebehoeften worden ingevuld (ruimte voor bijkomende woongelegenheden, ruimte voor economische activiteiten, ruimte voor natuurontwikkeling, ruimte voor water, opvangen van de grote toename van (vracht)autoverkeer,…). Een doorgedreven inspanning is dus noodzakelijk om de hoge kosten en negatieve gevolgen van onze slechte ruimtelijke ordening te kunnen counteren.

Voorstellen van de milieu- en natuurverenigingen aan de volgende regering

Om in Vlaanderen een duurzaam ruimtelijk beleid te realiseren, moet de volgende Vlaamse regering volgens de milieu- en natuurverenigingen werk maken van volgende punten.

  1. duurzaam ruimtelijk beleid in regeerakkoord
  2. herstel van het evenwicht in het drieluik planning, vergunningenbeleid, handhaving en werk maken van het vierde luik grondbeleid
  3. uitvoering van het RSV: afwerken afbakeningsprocessen, kwaliteitsdoelstellingen realiseren,…
  4. een ambitieus RSV II, met meer aandacht voor uitvoering doelstellingen
  5. een betere betrokkenheid en inspraak, zoeken naar partnerships voor betere plannen

De ronde van Vlaanderen

Om ons verhaal te illustreren en concreet te maken, bezoeken we tijdens deze week van de ruimtelijke ordening elke dag een andere provincie. In elke provincie snijden we een ander thema aan en bezoeken we goede en/of slechte voorbeelden van ruimtelijke ordening om ons verhaal ook visueel duidelijk te maken. Achtereenvolgens gaan we naar West-Vlaanderen (ruimte voor bedrijven), Oost-Vlaanderen (bos en natuur), Antwerpen (samenwerken voor een betere ruimtelijke ordening), Vlaams-Brabant (woonbeleid) en Limburg (natuur en recreatie).

In Antwerpen we focussen we ons op “Samenwerken voor een betere ruimtelijke ordening”. Als natuur- en milieuverenigingen pleiten we voor brede, maatschappelijk gedragen planningsprocessen. In zo’n open planningsproces worden alle actoren van in het begin betrokken worden. De verschillende doelgroepen kunnen daarbij actief participeren om knelpunten aan te dragen en oplossingen voor te stellen. Na het overleg in het open planningsproces is het resultaat veeleer een maatschappelijk gedragen ruimtelijke visie waarvan de realisatie tot weinig of geen verzet leidt. Wanneer de ruimtelijke planning achter gesloten deuren gebeurt en besturen zelf beslissen wat de “beste” oplossing is, tegen de verschillende maatschappelijke actoren in, krijgt het resultaat van de planning (een structuur- of uitvoeringsplan) af te rekenen met een overvloed aan bezwaarschriften en wordt de realisatie gehypothekeerd door tal van juridische procedures.

Strategisch planningsproces Haven rechteroever: samenwerken loont

Na de eerste misstappen rond het planningsproces voor de Waaslandhaven (met de achtereenvolgende gewestplanwijzigingen en schorsingen ervan door de Raad van State) besloot de Vlaamse regering vier jaar geleden om ook voor het Rechteroever Havengebied een Strategisch Planningsproces op te starten. Het planningsproces wordt getrokken door de gouverneur van Antwerpen en bestaat uit een plenaire vergadering (waarin naast de betrokken Vlaamse administraties (Afdeling Ruimtelijke Planning, Afdeling Water, Afdeling Natuur, Afdeling Land, Afdeling Maritieme Toegang, Afdeling Zeeschelde, Afdeling Wegen en Verkeer) ook de actoren uit andere niveaus (provincie, gemeenten, NMBS) én de verschillende maatschappelijke actoren (waaronder de natuur- en milieuverenigingen) deelnemen. Naast die plenaire vergadering, die alle finale beslissingen neemt, zijn er verschillende thematische deelwerkgroepen die apart de discussies voeren over de belangrijkste knelpunten zoals Mobiliteit, Leefbaarheid en Stedelijk gebied, Natuur, Landbouw en Ecologische Infrastructuur, Specieverwerking. In die deelwerkgroepen zetelen de betrokken administraties én de direct betrokken maatschappelijke actoren. Het gehele Strategisch Planningsproces wordt begeleid door een planningsbureau dat ook zorgt voor de onderlinge afstemming van de conclusies van de deelwerkgroepen.

Het doel van het strategisch planningsproces is te komen tot een maatschappelijk gedragen en gedetailleerde planningsvisie voor het Rechteroever Zeehavengebied, dat dan als basis zal dienen voor de opmaak van een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan waarin niet alleen de ontwikkelingsmogelijkheden van de haven maar ook de inbuffering van de haven naar de omgeving, de versterking van het natuurlijk structuur en bereikbaarheid van de haven gegarandeerd worden.

Omdat een zeehaven een bijzonder complex gegeven is waar veel interacties met de omgeving zijn, is het planningsproces is na vier jaar nog niet voltooid. Toch zijn in het tweede voortgangsrapport dat in januari door de plenaire vergadering werd aangenomen een aantal opmerkelijke conclusies in consensus genomen. Een hoop problemen die reeds lang aanslepen kunnen daardoor op relatief korte termijn opgelost worden met instemming van de belangrijkste maatschappelijke actoren. Voor een aantal knelpunten loopt de discussie nog verder en zal normaal tegen half 2005 ook een resultaat bereikt worden.

Verwerking van baggerspecie

In het tweede voortgangsrapport werd een consensus bereikt voor de verwerking van de enorme hoeveelheid baggerspecie afkomstig van de sluizen en dokken. In het verleden plannen werden gesmeed om grote oppervlakten poldergebied in te palmen voor lagunering van de baggerspecie. Gezamenlijke acties van natuur- en milieuverenigingen, landbouworganisaties en district- en gemeentebesturen hebben dat toen tijdelijk kunnen afwentelen. In het Strategisch plan wordt nu resoluut gekozen voor het mechanisch ontwateren van de baggerspecie en het scheiden van de zand- en slibfractie. De installatie voor mechanische ontwatering zal ingeplant worden op de site ‘Bietenveld’, de ontwaterde specie zal, in afwachting van hergebruik, gestockeerd worden in de er naast gelegen ‘Zandwinningsput’. Beide locaties zijn gelegen binnen het huidige havengebied zodat de polders gevrijwaard blijven. Ondertussen heeft de gouverneur de Vlaamse regering verzocht om op korte termijn een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan op te maken om de inplanting mogelijk te maken. Dat RUP zal binnenkort de officiële procedure (met inbegrip van een openbaar onderzoek) doorlopen.

Afbakening en realisatie van 5% Ecologische Infrastructuur in de haven

In het RSV is voorzien dat 5% van de oppervlakte van de zeehavens voorzien moet worden als Ecologische Infrastructuur. Het Havenbedrijf van Antwerpen heeft sinds 3 jaar een ondersteunende onderzoeksopdracht gegeven aan Natuurpunt om te onderzoeken waar die Ecologische Infrastructuur het best wordt afgebakend en hoe ze moet ingericht worden. De resultaten van dit onderzoek worden door zowel het Havenbedrijf als Natuurpunt meegenomen in de discussies met andere actoren binnen het Strategisch Planningsproces. In afwachting van de afbakening (die door het Vlaams gewest moet gebeuren in een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan) engageert het Havenbedrijf zich om via een aangepast beheer de natuurwaarde van een aantal van die gebieden nu al te verhogen. Voorbeelden ervan zijn het ecologisch beheer van de wegbermen in het havengebied, het beheer van restgronden met specifieke bedreigde flora (o.m. orchideeën zoals het Wit Bosvogeltje), de inrichting van steile zandwanden als nestgelegenheid voor oeverzwaluwen, het beheer van een gebruikt slibbekken als broedplaats voor beschermde koloniebroeders zoals Zwartkopmeeuwen, … Daarnaast wordt in overleg tussen Natuurpunt en het Havenbedrijf sensibiliserende gewerkt naar de individuele bedrijven toe om ook mee te werken aan het realiseren van de Ecologische Infrastructuur.

Behoud en versterking van de grote eenheden natuur in en rond de haven

De grotere natuureenheden in en rond de haven zullen niet opgenomen worden in het zeehavengebied maar in het Vlaams Ecologisch Netwerk. Concreet gaat het over de slikken en Schorren langsheen de Schelde, Bospolder-Ekers Moeras en de Grote Kreek en de Kuifeend. Die gebieden hebben nu al het statuut Grote Eenheid Natuur (GEN). Voor de verdere uitbreiding van het spoorwegemplacement Antwerpen Noord is het echter nodig dat een deel van het Binnenmoeras wordt vrijgegeven. Daarvoor is natuurlijk eerst een opheffing van het GEN noodzakelijk en moet de bestemming gewijzigd worden. Om dit mogelijk te maken en tegelijkertijd een oplossing te bieden voor het zogenaamde historisch passief is een compensatievoorstel uitgewerkt.

Het Historisch passief is de schade aan de natuur en het Vogelrichtlijngebied die in het verleden is aangericht, waarvoor niet gecompenseerd werd én waarvoor de aanmelding aan de Europese commissie niet gebeurd is. Concreet gaat het om de uitbouw van de Main Hub tussen het spoorwegemplacement en de Verlegde Schijns en de inname van het poldergebied tussen de spoorbundels als werfzone voor de aanleg van de HSL.

Het compensatie voorstel, waarvan het principe door de plenaire werkgroep van het Strategisch Plan in het tweede voortgangsrapport werd goedgekeurd, moet nog wel een hoop voorafgaandelijke onderzoeken doorlopen. Een van de grote knelpunten is of de Verlegde Schijns wel of niet nogmaals kan verlegd worden. Het voordeel van de verlegging is dat heel de zone tussen de A12 en het spoorwegemplacement kan ontwikkeld worden. Het grote knelpunt is natuurlijk dat de afwatering van de Schijn (inclusief Merksem en Ekeren) en de poldergemeenten niet in het gedrang mag komen. Een tweede knelpunt is dat de huidige natuurwaarden (want een groot deel van de Verlegde Schijn is gelegen in Vogelrichtlijngebied en bestaat uit brede rietkragen waar tal van zeldzame soorten zoals rietzanger, blauwborst en bruine kiekendief in broeden) dan verdwijnen.

Het compensatievoorstel voorziet dat vooraleer de Verlegde Schijns kan verlegd worden of nieuwe spoorbundels in een deel van het Rietmoeras kunnen aangelegd worden, een nieuw natuurgebied van 240 ha moet gecreëerd worden. Dat nieuwe gebied is gelegen ten zuiden van Berendrecht en ten westen van de A12. Het omvat zowel het bestaande Reigersbos en de bufferzone ten noorden van ABT-Stocatra maar ook de zone die nu bestemd is als zone voor sliblagunering (met nabestemming buffer), een deel woonuitbreidingsgebied en een deel recreatiegebied en een klein deel agrarisch gebied. Het gebied dient ontwikkeld te worden als een uitgestrekt natuurgebied met goede natuurkwaliteit dat de instandhoudingsdoelstellingen die rusten op het bestaande Vogelrichtlijngebied kan waarmaken (inclusief het historisch passief ten gevolge van de bouw van de Main Hub). Daarnaast vormt het project een duurzame afstandsbuffer tussen de haven en Berendrecht, die nog kan versterkt worden door een aantal dijken waaronder verhoging en verlenging van de ABT-Stocatradijk. Het kan dan ook zorgen voor een belangrijk gebied voor stadsregiogroen met extensief recreatief medegebruik.

De voorbereidende studies zijn nu opgestart, en worden naderhand terug besproken via het Strategisch Planningsproces.

Conclusie : samenwerken aan ruimtelijke planning levert een meerwaarde voor de gevonden oplossingen omdat er vaak win-win-situaties ontstaan. Hoewel zo’n breed en open planningsproces op het eerste zicht langzamer lijkt te gaan, kan het resultaat sneller gerealiseerd worden omdat er naderhand geen of veel minder maatschappelijk én juridisch verzet optreedt.

Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Brecht: geen overleg betekent problemen

Het gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Brecht werd de voorbije jaren opgesteld door een studiebureau in opdracht van het gemeentebestuur. De wettelijk verplichte overleg- en informatiemomenten werden weliswaar georganiseerd (terugkoppeling met de GECORO, informatievergaderingen en folders), maar het planningsproces hield geen rekening met de opmerkingen van zowel de GECORO als de maatschappelijke doelgroepen. Tijdens het openbaar onderzoek (dat gisteren ten einde liep) werden dan ook massaal bezwaarschriften ingediend.

Brecht is een gemeente die niet echt gekenmerkt wordt door een goede ruimtelijke ordening. In het verleden kwam de gemeente meermaals in negatief daglicht rond de problematiek van zonevreemde weekendverblijven. Veel van die weekendverblijven werden geregulariseerd via opeenvolgende gewestplanwijzigingen. Sommige ervan werden bijna echte villawijken (Brecht Zuid en Rommersheide (ca 200 ha)). Het huidige gemeentebestuur van Brecht is blijkbaar in hetzelfde bed ziek als zijn voorgangers. In het ontwerp van Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan voorziet de gemeente dat het gebied ‘De Merel en de Groene Linden’ (ca. 180 ha) totaal anders zal bestemd en ingericht worden dan nu het geval is. Het gebied ‘De Merel en de Groene Linden’ is eigendom van de Stad Antwerpen. Het omvat enerzijds een bestaande, goed draaiende en zone-eigen camping De Groene Linden. Anderzijds is er een zone-eigen, maar deels niet meer in gebruik zijnde recreatiegebied De Merel. Daartussen liggen verschillende bossen en kleinschalige landbouwpercelen (met hoofdzakelijk grasland en oude bomenrijen ertussen). Het stadsbestuur van Antwerpen wil het geheel verkopen (om het stedelijk pensioenfonds te spijzen). Brecht wil het overkopen van de stad en onmiddellijk door verkopen aan een Nederlandse projectontwikkelaar. Eén van de voorwaarden van de stad om te verkopen is dat de camping minstens 15 jaar kan behouden blijven. De gemeente Brecht voorziet in zijn gemeentelijk Structuurplan dat de verblijfsrecreatie geherlokaliseerd wordt naar het open landbouwgebied en de bossen van de Merel. Een groot gedeelte van het landbouwgebied gaat verloren en een deel van de bossen moet gekapt worden! Op de plaats van het open gebied komt een binnenvijver, ingericht als jachtvijver, die verbonden wordt met het kanaal Schoten-Turnhout. Rondom rond worden ongeveer 230 prestigieuze vakantiewoningen gebouwd. Door de herlokalisatie van de verblijfsrecreatie komt de huidige camping van de stad zonevreemd te liggen.

De GECORO van Brecht (waarin naast experten inzake ruimtelijke ordening ook vertegenwoordigers van de verschillende maatschappelijke doelgroepen zetelen) gaf een unaniem negatief advies over het onderdeel De Merel-De Groene Linden in het voorontwerp Ruimtelijk Structuurplan. Toch werd dit advies genegeerd door het schepencollege en de gemeenteraad en werd een ongewijzigd plan aan een openbaar onderzoek onderworpen. Het gevolg is dat de verschillende maatschappelijke doelgroepen: landbouwers, kampeerders, wijkcomités van de nabijgelegen deelgemeente Sint-Job-in-‘t-Goor, Brecht Zuid en natuur- en milieuverenigingen de handen in elkaar sloegen en een massale bezwaarschriftenactie op het getouw zetten. Op 18 april werd een heuse happening op het domein georganiseerd om het grote publiek duidelijk te maken dat er beter kan gekozen worden voor het behoud van het gevarieerde gebied en de renovatie van de omgeving. De Merel tot kleinschalige recreatie. Het gebied ligt immers binnen de sfeer van de stadsrandbossen ten noorden van Antwerpen. Uit onderzoek is gebleken dat die regio geen tekort aan bossen en groen heeft maar wel een tekort aan recreatieve ontsluiting van die gebieden en aan het opheffen van de versnippering (zowel de ecologische versnippering als de versnippering voor de gebruikers). Ondanks het slechte weer kwamen ongeveer 1.000 mensen kijken naar het unieke verwevingsgebied De Merel-De Groene Linden. Op het einde van het openbaar onderzoek waren er ruim 6.000 bezwaarschriften enkel over het onderdeel De Merel-De Groene Linden.

We hopen dat het gemeentebestuur na het openbaar onderzoek, het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan grondig bijstelt.

Conclusie: negeren van doelgroepen en actoren bij het planningsproces zorgt niet alleen voor een wantrouwen bij de bevolking maar ook voor een serieuze hypotheek om de gewenste plannen te realiseren.

 

Meer info

 

Contactpersonen

Luchtfoto van havenlocaties uit perstekst

Artikels

Externe links

Downloadbare documenten