Zeldzaam en bedreigd
10 november 2001
De adder (Vipera berus) is één van de meest zeldzame en bedreigde gewervelde diersoorten in Vlaanderen. Ze heeft zelfs het weinig benijdenswaardig etiket "met uitsterven bedreigd" gekregen in de Rode lijst van amfibieën en reptielen in Vlaanderen. Momenteel leven er nog slechts 3 geïsoleerde populaties, allen in de provincie Antwerpen. De grootste populatie bewoont het militair domein "Groot Schietveld" ten noorden van Antwerpen en telt met zekerheid enkele honderden individuen.

Adder
Uiteraard is de overleving van een soort sterk afhankelijk van het behoud van zijn leefgebied. De aanwezigheid van een zeldzame en bedreigde soort wijst bovendien op het bestaan van een unieke combinatie van milieu-omstandigheden. Maatregelen voor het behoud van de adder moeten zich dan ook toespitsen op haar specifieke levensvereisten.
Diep ingaan op de ecologie van de adder zou ons te ver leiden, maar enig begrip van enkele typische kenmerken maakt het wel gemakkelijker om bepaalde gedragingen beter te begrijpen. Essentieel hierin is dat adders, in tegenstelling tot zoogdieren en vogels, zelf geen lichaamswarmte produceren.
Net als alle reptielen hebben ze zich daarentegen gespecialiseerd in het gebruiken van uitwendige warmtebronnen, meestal zonnestraling. Bij het 'zonnen' zoeken ze zonbeschenen, windstille plekjes en ze oriënteren zich daarbij zo dat hun lichaam de zon maximaal opvangt. Pas als hun lichaamstemperatuur zo'n 30-35°C heeft bereikt, kunnen ze bijvoorbeeld voedsel of een partner gaan zoeken.
Adders moeten bij het zonnen echter vermijden om oververhit te geraken bijvoorbeeld tijdens warme zomerdagen. Ze zoeken dan koele, beschaduwde plekjes op, waar hun lichaamstemperatuur kan dalen. Door te pendelen tussen warmere en koudere plekken in hun leefruimte, kunnen adders hun lichaamstemperatuur regelen rond een hoge, tamelijk constante waarde. De weersomstandigheden bepalen dan ook in hoge mate zowel de dagelijkse als de seizoenale activiteitscyclus.
Uit het voorgaande kan men een aantal algemene vereisten voor een goed adderbiotoop afleiden. In eerste instantie moeten de dieren in staat zijn hun lichaamstemperatuur te regelen. Plaatsen waar ze zich kunnen opwarmen en beschaduwde plekken moeten in elkaars nabijheid liggen. Dat is het geval in terreinen met een rijke variatie in vegetatie- structuur zowel horizontaal als verticaal.
Dit betekent niet noodzakelijk dat de vegetatie-samenstelling zeer divers moet zijn, wel dat dichtbegroeide en open plekken naast elkaar aanwezig zijn. Zo zorgt de afwisseling van lage begroeiing, struiken en bomen voor een optimale variatie in microklimaat. Ook de aanwezigheid van (micro)reliëf zoals slenken, grachten, opgehoogde bermen, wallen... bevorderen die verscheidenheid. Geschikte biotopen treft men dan ook aan in heidegebieden, langs bosranden, rustige weg- en spoorwegbermen, kapvlaktes in bossen en allerlei geaccidenteerde terreinen.
Daarnaast is de overleving van een adderpopulatie afhankelijk van de aanwezigheid van een geschikt winter- én zomerbiotoop waartussen migraties bovendien ongehinderd kunnen plaatsvinden. Een geschikte overwinteringsplaats moet vooral vorstvrij en droog zijn. Dergelijke winterbiotopen liggen dan meestal ook relatief hoog en kennen een warm microklimaat.
De meeste adders zijn erg trouw aan hun overwinteringsplaats en vlak voor en na de winterslaap worden vaak meerdere dieren samen aangetroffen op welbepaalde plekken met een geringe oppervlakte. Geschikte winterschuilplaatsen zijn vrij schaars en hun behoud en aangepast beheer verdient dus extra aandacht.
De zomerbiotoop bestrijkt een veel grotere oppervlakte en is veel minder afgelijnd dan het wintergebied. Het omvat diverse zowel drogere als vochtigere habitattypes en het voedselaanbod moet er voldoende groot zijn.
Voor het behoud van een gezonde adder-populatie is een specifiek beheer noodzakelijk. De meest essentiële voorwaarde voor een succesvol beheer is dat het kleinschalig wordt uitgevoerd. Slechts op die manier kan de noodzakelijke variatie in vegetatiestructuur behouden (of bevorderd) worden.
Bovendien moet het beheer gefaseerd in de tijd gebeuren waarbij bijvoorbeeld over een periode van meerdere jaren telkens slechts pleksgewijs een deel van de oppervlakte gekapt wordt. Het verwijderen van te dichte boomopslag is trouwens de meest dringende maatregel voor het herstel van de adderbiotopen op bijvoorbeeld het Groot Schietveld.
Daarbij is het zeker nuttig om een deel van het gekapte hout op kleine stapels te laten liggen als schuilplaats. Uiteraard moeten dergelijke beheersingrepen steeds buiten het activiteitsseizoen dus in de winter (eind november-begin februari) gebeuren wanneer de kans op verstoring het kleinst is.
Het is mogelijk dat bij een beheer specifiek gericht op het behoud van de adder, conflicten opduiken met beheersopties voor de overige flora en fauna. We moeten echter beseffen dat de adder in onze streken minstens even zeldzaam en bedreigd is als, bijvoorbeeld, vele orchideeënsoorten. Het is dan ook niet onredelijk om bij het beheer van de weinige nog resterende adderbiotopen, prioriteit te geven aan de vereisten van deze soort. De meeste van de beheers-maatregelen voor adders zullen trouwens ook ten goede komen van een heel aantal andere planten- en diersoorten in deze terreinen.